Saturday, 17 December 2016

De deemstering van links





 Acht jaar na het uitbreken van de grootste crisis in de westerse economie sinds tachtig jaar, lijkt het voornaamste politiek slachtoffer die beweging te zijn waarvan je normaal gesproken het eerste antwoord had moeten verwachten: de Europese sociaaldemocraten, en links in het algemeen. Pijnlijke verdeeldheid, en vooral een onvermogen om tot een nieuwe aanpak te komen, maken dat de politieke strijd in Europa zich steeds vaker gaat afspelen tussen rechts en extreem-rechts.

 Er is vandaag nauwelijks een zieliger beeld van Europees links te bedenken dan de wekelijke politieke peiling van de Nederlandse socioloog Maurice De Hond. De PVV, de populistische partij van Geert Wilders, zou daarin op dit ogenblik 37 zetels halen, 13 zetels meer dan de tweede grootste partij, de rechts-liberale VVD van minister-president Mark Rutte. Als dat bewaarheid wordt bij de parlementsverkiezingen van 2 maart – drie maand is wel een eeuwigheid in verkiezingsperiodes – wordt Wilders minister-president. Ofwel heeft men minstens vijf partijen nodig om hem uit het Torentje te houden.

 In het licht van dat perspectief, valt vooral de verdeeldheid van centrum-links op. Als we de SP als te links-populistisch buiten beschouwing houden, zouden D66 en Groen-Links elk 14 zetels behalen en de Pvda 10. Samen is dat ook maar 38 zetels. Maar je zou toch denken dat als heel de linkerzijde nu al jaren schreeuwt dat Wilders een groot gevaar is voor de democratie, men de krachten zou bundelen om zelf te trachten dat Torentje binnen te halen. Natuurlijk hebben de drie partijen elk hun traditie, hun clan-parfum, de gekoesterde littekens van oude onderlinge vetes en hun ego’s, maar programmatorisch zijn de verschillen minimaal. Van enige samenwerking is echter geen sprake. Bijna begin je, mutatis mutandis, te begrijpen hoe Hitler destijds zo gemakkelijk de macht kon grijpen, met ook maar 33 % van de stemmen.

 In Frankrijk zal links op zijn minst met drie kandidaten aantreden in de presidentsverkiezingen van 23 april: Emmanuel Macron, tot voor enkele maanden nog minister in de regering-Valls; opnieuw Jean-Luc Mélenchon, een gewezen PS’er die in 2012 vooral stemmen van de gewezen communisten meekreeg; en diegene van acht kandidaten die op 22 en 29 januari als eerste zal eindigen in de voorverkiezingen van de Parti Socialiste en twee kleine groene partijen (samen de ‘Belle Alliance’). De perspectieven voor links bij de verkiezingen zijn niet goed, na vijf jaar sukkelend presidentschap van François Hollande. Manuel Valls, de huidige premier en vermoedelijke kandidaat van de PS, is een sterkere persoonlijkheid dan het aftredend staatshoofd, maar is binnen de linkerzijde polariserend. De keuze voor elke linkse kiezer in Frankrijk zal nochtans eenvoudig zijn: het is hem of Marine Le Pen die tegen de favoriet François Fillon zal mogen aantreden in de tweede stemronde.


‘De traditionele arbeidersklasse krimpt, tekende Blair altijd weer voor, door de automatisering van grote delen van de industrie, en dus moeten we op de groeiende middenklasse inzetten
om macht te kunnen uitoefenen


 In Italië is Matteo Renzi, drie jaar geleden na een interne machtsstrijd in de socialistische PD ingehaald als de nieuwe vaandeldrager van links, alweer weggestemd. In Groot-Brittannië is Labour sinds de verkiezing van de 67-jarige Jeremy Corbyn tot partijvoorzitter in juli 2015 vooral met interne ruzies bezig. In Spanje heeft de PSOE dit najaar haar voorzitter Pedro Sanchez afgezet om de weg vrij te maken voor steun aan een minderheidskabinet van de conservatieve rivaal Mariano Rajoy – met wie Sanchez niet in zee wou – uit vrees voor een derde verkiezingsnederlaag in een jaar.

 In de Scandinavische landen en Finland is de vanzelfsprekendheid van sociaaldemocratische regeringen al sinds de eeuwwisseling weg. Ze vormen er nu eerder uitzonderingen op een reeks centrum-rechtse of rechtse kabinetten, vaak al met populisten erbij. In Duitsland en Oostenrijk, de twee oudste bastions van de Europese sociaaldemocratie, houden SPD en SPÖ stand als grote partijen maar met stemmenpercentages die schommelen rond de 25 % in plaats van de 40 % van weleer. In de VS tenslotte zijn de Democraten, na hun meest linkse president sedert Franklin Roosevelt, voorlopig electoraal van de kaart geveegd door Donald Trump.


Blair


 Iets meer dan tien jaar geleden regeerden Tony Blair, Gerhard Schröder, Romano Prodi en José Luis Zapatero in de belangrijkste Europese hoofdsteden, op basis van een beleidslijn die door Blair en New Labour was ontwikkeld: men aanvaardde de liberale economie zoals ze door Margaret Thatcher en Ronald Reagan in de jaren tachtig van de twintigste eeuw was heruitgevonden, en zette de overduidelijke economische vruchten daarvan om in herverdeling en investeringen in openbaar vervoer, milieubeleid, de gezondheidszorg en – een beetje – onderwijs. De traditionele arbeidersklasse krimpt, tekende Blair altijd weer voor, door de automatisering van grote delen van de industrie, en dus moeten we op de groeiende middenklasse inzetten om macht te kunnen uitoefenen.

 Men moest wel wat rechtse pillen slikken.  Voor Blair was dat de invasie in Irak onder druk van George W. Bush, voor Schröder de verlaging van de laagste lonen (mini-jobs) in Agenda 2010, onder druk van de Duitse industrie die hem afdreigde met een massale verhuis naar de nieuwe EU-lidstaat Polen. Maar al bij al vond er inderdaad een spreiding van de welvaart plaats die op haar beurt de hoogconjunctuur verlengde en stabiliteit en toekomstperspectief bracht. Blair en co worden vandaag verketterd, maar de balans van hun beleid mag gezien worden.

  De hele strategie daarachter is natuurlijk onderuit gehaald door de bankcrisis van 2008 en de daaropvolgende acht jaren van economische recessie en stagnatie. De neoliberale geldpomp was gecrasht, en dus was er geen geld meer om te herverdelen. Traditioneel, zoals bij elke economische crisis, reageerde de kiezer conservatief, naar het behoud van wat er was, en nadien – na verloop van enkele jaren en het besef dat een dergelijk beleid van bewuste stagnatie ook niet helpt – naar bewegingen die vooral een afbraak van het verleden beloven, zonder duidelijk toekomstbeeld.

 De sociaaldemocraten blijven vandaag verweesd achter. Ze blijken moeite te hebben met het opgeven van de neoliberale economische principes en hebben niets meer te herverdelen. Ze verliezen de middenklasse, die in haar geheel ontevreden is omdat ze ten dele stagneert en ten dele achteruitboert. Wat overbleef van de arbeidersklasse hebben ze haast volledig verloren aan extreem-rechtse en populistische groepen (ook uiterst linkse, zoals de PvdA/PTB in België), vooral als gevolg van de migratieproblematiek.


Bovenal is er de – ook voor de werknemers - rampzalige verzwakking van de vakbonden, die vooral in hun leidende structuren en bij gebrek aan interne democratie en decentralisatie zijn blijven vastzitten in het denken van de industriële samenleving’


 Het enige wat hen de vorige jaren leek te binnen schieten, was de jacht op bankiers en fraudeurs. Dat was terecht, vanuit het rechtvaardigheidsgevoel van het electoraat en in de wetenschap dat er op dat vlak door rechts te weinig is gecorrigeerd. Maar het creëerde bij gebrek aan andere ideeën ook opnieuw de fatale indruk dat links hoofdzakelijk gekenmerkt wordt door een onverzadigbare drang naar meer belastinginkomsten. Er zijn weinig betere methodes om jezelf onpopulair te maken.

 Andere factoren spelen ook tegen de sociaaldemocraten. De tijdsgeest in de eerste fase van elke economische crisis, zo leert het verleden, is altijd tegen hervormers, iets waar bijvoorbeeld ook liberalen onder lijden. De verdeeldheid in de jacht op de linkse kiezers in de middenklasse door de opkomst van de groenen – die vooral bij hooggeschoolde overheidsambtenaren, de gesubsidieerde sectoren en de sociaal-economische bovenlaag van de migranten rekruteren – is bestendigd geraakt.

 Bovenal is er de – ook voor de werknemers - rampzalige verzwakking van de vakbonden, die vooral in hun leidende structuren en bij gebrek aan interne democratie en decentralisatie zijn blijven vastzitten in het denken van de industriële samenleving, en die vegeteren in het beheer van de spaarpotten van de sociale zekerheid.


Anseele


 Het goede nieuws voor de versnipperde en wegkwijnende sociaaldemocraten is dat er opportuniteit te over is. Sterker zelfs: tenzij we in Europa toch in echte dwaasheden vervallen, met ieder land voor zich en hoge grenzen waar finaal enkel soldaten nog over kunnen, zou het volgende decennium, de jaren twintig, best wel dat van de opnieuw triomferende sociaaldemocratie kunnen zijn. Het volstaat daarvoor het potentieel in de huidige evoluties op te pikken, en enkele bestofte denkpatronen en dogma’s af te leggen.

 De oefening blijft in se eenvoudig: hoe kneed ik een boodschap en een project die de 40 tot 50 % van de minst verdienenden zodanig in hun belangen kunnen aanspreken dat ze mij aan de macht brengen? Al de rest is prietpraat, hoezeer ideologische debatten de hooggeschoolde militanten ook de gelegenheid geven hun deskundigheid te bewijzen. Vader Anseele, inmiddels ruim een eeuw geleden had gelijk dat het volk biefstukken vroeg. Marx, wat kon dat de arbeider schelen…


Als straks Italië de Europese Unie opblaast, zal Angela Merkel – die op dat vlak, weliswaar opgejaagd door een hysterische publieke opinie, vanuit een eng Duits belang heeft gehandeld – daar de verantwoordelijkheid voor toegeschoven krijgen, bovenop een tros eredoctoraten uit Vlaanderen in volle Duitse verkiezingscampagne


 De opportuniteit zit in het economische. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw leverden inflatie, de galopperende overheidsuitgaven en de verroeste overheidsbedrijven de kern van de crisis, en riepen ze een terechte economisch-liberale reactie op. Nu zijn het de excessen van dat systeem, na een kwarteeuw van succes, die gecorrigeerd moeten worden: de te weinig gereguleerde financiële sector, de excessieve en hyper-emotionele schommelingen van de beurs, de kwartaal-dictatuur van de bedrijfsresultaten, de afgeschafte kapitaalcontroles, de te snelle globalisering.  Liberalen zullen ook de oefening moeten doen hoe ze daar mee omspringen, maar voor de sociaaldemocraten is dit een kans.

 Ook het conservatieve concept van budgetsanering heeft dit keer, anders dan in de jaren tachtig, maar net als bij Heinrich Brüning en anderen in de jaren dertig, contraproductief gewerkt. Terwijl de EU een rigied begrotingsbeleid blijft opleggen in een crisis die begon met een crash aan monetaire liquiditeit, voert de ECB precies een expansief monetair beleid dat echter zowel inzake economische groei als inzake de officiële doelstelling van hogere inflatie niet aanslaat.

 De centrale oorzaak is de weigering van Duitsland om – anders dan vroegere grootmachten zoals Groot-Brittannië en de VS – zijn financiële surplussen uit zijn expansie in de wereldeconomie te recycleren naar diegenen binnen Europa die in de gracht van die wereldeconomie zijn gesukkeld. Als straks Italië daarom de Europese Unie opblaast, zal Angela Merkel – die op dat vlak, weliswaar opgejaagd door een hysterische publieke opinie, vanuit een eng Duits belang heeft gehandeld – daar de verantwoordelijkheid voor toegeschoven krijgen, bovenop een tros eredoctoraten uit Vlaanderen in volle Duitse verkiezingscampagne.

 Er is voldoende ruimte voor een links geïnspireerd economisch beleid. Als inflatie aanwakkeren een doelstelling van de ECB is, waarom kan de eerste echte netto-loonsverhoging in veertig jaar voor de loontrekkende werknemers in heel de Europese Unie, al dan niet in de vorm van een belastingverlaging, niet bespreekbaar zijn? Als Donald Trump vindt dat staal een beschermde Amerikaanse sector moet zijn die men niet kan laten gaan en zo de baas van US Steel ruim tienduizend nieuwe arbeidsplaatsen doet beloven, heeft het dan geen zin eens te bekijken wat essentieel is voor onze economie en tewerkstelling, en dus afgeschermd mag worden?


‘Misschien moeten sociaaldemocraten af en toe wat minder achternalopen wat groenen voorstellen’


 Als de deregulering van de elektriciteitsmarkt enkel duurdere tarieven oplevert, neemt de overheid dat dan niet beter weer over? Als China, weliswaar in een dictatuur die gedoemd is te crashen onder de eigen corruptie en gedachtenpolitie, of Singapore, een autoritair geleide stadsstaat, bewijzen dat overheidsbedrijven wel degelijk dynamisch kunnen zijn, kan men daar dan toch niets van leren? Als medebeheer door werknemers een sterke factor van verankering en stabilisering van bedrijven zou kunnen zijn, heeft het dan geen zin daarover na te denken?


Solidariteit


 Het feit dat populistische partijen met een steeds groter aandeel van kiezers, die diep ontevreden zijn, gaan lopen, dwingt de linkse partijen, net als klassiek rechts, de eigen premissen grondig te herbekijken. De Titanic stevent op de ijsberg af, ontkennen dat die daar ronddrijft heeft geen zin, het roer omgooien des te meer. Voor links geldt bijvoorbeeld dat de precies de mensen met de laagste inkomens in de samenleving massaal naar de populisten overstappen. De voornaamste reden daar is migratie, die vooral in stedelijke buurten met de laagste inkomens merkbaar is.

 Die burgers behoren echter zonder enige twijfel tot de doelstelling van ‘onderste 40 of 50 %’ van het kiezerskorps. Dus moet men ze terugwinnen. En de knoop doorhakken rond de vraag: hoever reikt onze solidariteit? Het spanningsveld tussen quasi-louter nationaal georganiseerde sociale zekerheid en sociale structuren, en de hoop in heel de wereld op een sprong naar onmiddellijke welvaart in het westen, al dan niet via misbruik van de asielprocedure of echte nood, is veel te groot. Idealiter zal men uitkomen op een meer Europees geharmoniseerd sociaal beleid, en tegelijk een beperking van de immigratie van buiten uit tot wat Europees nodig en mogelijk is, dat wil zeggen: een stuk economische migratie om demografische redenen, en een surplusje van herverdeling, in functie van de economische groei, naar armere delen van de rest van de wereld toe.

 ‘Hoe ver reikt de solidariteit’ is vooral een vraag naar haar internationaal karakter. Vanuit de populistische hoek wordt met scherp geschoten op het asielbeleid, de ontwikkelingshulp, de vrijhandel en zelfs het klimaatbeleid. Dat negatief beeld van die beleidsopties wordt vooral gevoed door de gedachte dat zij ten koste zijn gegaan van de eigen sociale noden. Als Nederland aankondigt in een maand 5000 nieuwe woningen te hebben gebouwd voor asielzoekers, hoor je daklozen, zowel autochtone als allochtone, in hun steden klagen dat al de nieuwe huizen naar de nieuwkomers gaan. Als men het binnen Europa al zo moeilijk heeft met solidariteit met Italië en Griekenland, zou het een prachtige linkse doelstelling kunnen zijn die al hard te maken, en de rest van de wereld even wat minder aandacht te schenken. 


'De jacht op bankiers en fraudeurs creëerde bij gebrek aan andere ideeën ook opnieuw de fatale indruk dat links hoofdzakelijk gekenmerkt wordt door een onverzadigbare drang naar meer belastinginkomsten'



   Dieperliggend zijn natuurlijk nog andere oefeningen nodig. De rush naar het populisme heeft ook te maken met een afkeer van het politiek establishment, en daarin ongetwijfeld haar neiging tot belerend paternalisme en tot het afhouden van echt democratische inspraak en besluitvorming met behulp van de nieuwe communicatiemogelijkheden daartoe (zeker in de vakbonden). Daar is dus ruimte voor grote vernieuwing. En laat voor de rest niemand nog de term 'gewone man' in de mond nemen.

 Een van de elementen in de vervreemding is het milieubeleid, dat qua kostprijs wel excessief naar de inkomenscapaciteiten van de upper-middle class is gedefinieerd, in termen van normen inzake huisvesting, luchtvervuiling van oude wagens, en zelfs steeds meer inzake recyclage van afval. Misschien moeten sociaaldemocraten af en toe wat minder achternalopen wat groenen voorstellen.

 Tenslotte blijft er een niet onaardige brok aan emancipatie liggen. Mensen weerbaarder maken tegen de permanente druk van de consumptiemaatschappij – en meer en meer ook van de zorg-industrie die ons aanpraat dat we allemaal permanent verzorging behoeven – blijft een nobele doelstelling. Maar de harde taak ligt elders. Te lang heeft men laaggeschoolden die door het minimumloon buiten de arbeidsmarkt zijn gehouden, enkel een vervangingsinkomen als balsem aangereikt. Hun aantal zal, als men niet oplet, nog groeien, door de migratie van de laatste decennia, en door de extreme flexibilisering die men van hen eist als er dan toch een vorm van werk vrijkomt. Omscholing en vooral het voorkomen van laaggeschooldheid moeten centrale doelstellingen worden.

 In zekere zin vereist trouwens de hele armoedeproblematiek een dergelijke nieuwe, veel bredere aanpak, net als het stelsel van sociale zekerheid. Teveel geld gaat in beide om zonder goede resultaten. Daar mag gerust wel nog wat meer doelgerichtheid, transparantie en zelfs interne concurrentie ontstaan, en grotere verantwoordelijkheid van diegenen die in het stelsel participeren, ervoor betalen en ervan opstrijken. Mensen moeten bewust gemaakt worden van wat ze afdragen, wat ze daarvoor in ruil krijgen, en hoe de balans in evenwicht kan worden gehouden, in de hoop dat ze dan zelf zullen aandringen op zuiniger gebruik en een beter sociaal rendement.

 In wezen zijn de ambities van de 50 % minst gegoeden in de samenleving naar de overheid toe relatief beperkt. Veel stabiliteit, onder de vorm van een stabiele job, een verzekerde woning, en niet te dure kosten bij tegenslag. Een klein beetje vooruitgang daarbij, ook naar de kinderen toe. Een oude dag zonder teveel zorgen. En vooral, zoals de Brusselse pastoor Jef Cardijn honderd jaar geleden al wist, het gevoel gerespecteerd te worden. Dat realiseren zou niet zo moeilijk moeten zijn. Het doel blijft zo hetzelfde als dat van de uitbouw van de welvaartstaat in de naoorlogse jaren. Alleen de wegen ernaar toe zijn veranderd. En het zal behoorlijk wat creativiteit vereisen om die nieuwe paden te detecteren, en nog meer politieke wil om ze ook op te zoeken.









No comments:

Post a Comment