Friday, 13 January 2017

Haalt de EU 2018?






 2017 wordt het jaar van cruciale verkiezingen in West-Europa, in Frankrijk, Duitsland en Nederland onder meer, waar haast zeker Italië en mogelijk ook Spanje en Oostenrijk bijkomen. Tegen de zomer zal het belangrijkste element daarin wel duidelijk zijn: hoe groot is het kiezerskorps in de oude kern van de Europese Unie dat zich tegen die Unie keert?

 2016 was al het jaar van twee zeer verrassende verkiezingsuitslagen: de Brexit en de verkiezing van Donald Trump tot nieuwe president van de Verenigde Staten. Meteen projecteerden ze de vraag naar alle volgende verkiezingen in de westerse wereld: hoe groot is ook daar de kans op een doorbraak van de zogenaamde ‘populisten’? En welke gevolgen kan dit hebben?

Grillo

 De eerste die moest gaan was de Italiaanse premier Matteo Renzi. Na een regeerperiode van 34 maanden - toch nog vrij lang op het schiereiland - kreeg hij op 5 december vanwege de kiezer een klinkende nederlaag toegediend in een referendum over een reeks hervormingen in de politieke instellingen. Die gingen over een vermindering van de macht van de senaat, en een herschikking van de bevoegdheden tussen regio’s en centrale overheid. Zestig procent van de kiezers verwierp die voorstellen.

 Renzi motiveerde die hervormingen, en dan vooral die van de Senaat, met de noodzaak om de regering sneller en gemakkelijker beslissingen te laten nemen. Dat motief was terecht, omdat in Italië de Senaat het werk van de Kamer overdoet zonder zichtbare meerwaarde, op dezelfde wijze als dat in België het geval was voor 2014. Met zijn voorstel wou de eerste minister gemakkelijker economische hervormingen doorvoeren, die de EU vraagt. Iets dergelijks doen is in het sowieso al moeilijk regeerbare Italië - dat zoals België vooral een confederatie van steden en gemeenten is - altijd al een heikele zaak.

 Maar de kiezer stuurde Renzi en zijn voorstellen wandelen. De belangrijkste reden was waarschijnlijk de ontevredenheid over de blijvende economische stagnatie van het land. Sedert begin 2014 is de economische groei van Italië niet meer negatief, maar stijgt hij ook niet boven 0,3 % op jaarbasis uit. Daardoor was het bbp van het land eind 2016 reëel nog altijd 8 % reëel lager dan eind 2007. Er is met andere woorden nog altijd 8 % welvaart verdwenen.

 Renzi’s berekening toen hij begin 2014 de macht greep in zijn Partido Democratico en kort daarop premier en partijgenoot Enrico Letta tot ontslag dwong, was vermoedelijk dat de conjunctuur na een dubbele diepe recessie in vijf jaar, zou opveren, wat dan aan zijn regering toegeschreven kon worden. Het is echter anders uitgedraaid.


‘Ook Silvio Berlusconi, inmiddels 80 en nog altijd de leider van Forza Italia, uitte in recente interviews het verlangen om van de euro af te geraken, maar gaf toe dat dit niet eenvoudig is’


 De gewezen burgemeester van Firenze is inmiddels opgevolgd door zijn minister van Buitenlandse Zaken Paolo Gentiloni, een partijgenoot met een adellijke stamboom. Dezelfde coalitie blijft besturen, met één of twee kleine partijtjes minder. Ze is behoorlijk wankel, vooral in de Senaat,  en de 62-jarige premier kreeg vorige week al een stint ingeplant, na een hartprobleem. Haar hoofdtaak is, behalve het overeind houden van een paar bedreigde banken zoals de eeuwenoude Monte de Paschi, er voor te zorgen dat ook de Senaat een nieuwe kieswet krijgt, nu die niet hervormd wordt, zoals in het referendum was voorzien. Maar of Gentiloni daarin zal slagen, en hoe, is op dit ogenblik zeer onduidelijk.

 Vandaar dat men vermoedt dat nog voor de zomer vervroegde verkiezingen zullen plaatsvinden die ten laatste voor het begin van 2018, de wettelijke eindtermijn, voorzien zijn. In de huidige peilingen liggen de Partido Democratico en de Vijfsterrenbeweging (M5S) van Beppe Grillo beide rond de 30 % van de stemmen, terwijl de volgende partijen, Forza Italia en de Lega Nord op 15 % zouden uitkomen. Belangrijk is dat de Italiaanse kieswet in dat geval een tweede stemronde voorziet tussen de twee grootste partijen om te bepalen wie van hen beide sowieso de absolute meerderheid van 340 van de 640 zetels in de Kamer van Volksvertegenwoordigers krijgt. In peilingen over die tweede stemronde ligt Grillo’s M5S voor op de PD, zij het maar met een paar procenten.

 De complicatie is de kieshervorming van de Senaat. Het is onduidelijk of Gentiloni daar ook een systeem van artificiële meerderheid zal voorstellen, dan wel op de voor de Senaat nog steeds bestaande evenredige vertegenwoordiging terugvalt. In het laatste geval wordt de absolute meerderheid die in de Kamer voorzien is, toch weer fors gefnuikt.

 En de grootste onzekerheid in de Italiaanse verkiezingen betreft de euro. Vele Italianen, ook vooraanstaande economisten, wijten de aanslepende economische crisis in het land aan de slecht functionerende Europese munt. Ook Silvio Berlusconi, inmiddels 80 en nog altijd de leider van Forza Italia, uitte in recente interviews het verlangen om van de euro af te geraken, maar gaf toe dat dit niet eenvoudig is.

 De M5S van Grillo propageerde tot voor kort een referendum over het lidmaatschap van die munt. Begin deze week was daar even twijfel over, door de aankondiging van samenwerking met de zeer pro-Europese liberale Alde-fractie van Guy Verhofstadt in het Europees Parlement, maar die was snel weer van de baan. Overigens is ook een referendum houden in Italië niet eenvoudig, gezien elk voorstel eerst goedkeuring moet krijgen van het Grondwettelijk Hof.

Wilders


 De meest cruciale verkiezing dit voorjaar wordt ongetwijfeld die voor de Tweede Kamer in Nederland op 15 maart. Nederland is altijd een belangrijke verkiezing omdat het - net als Vlaanderen - vanwege zijn diepe democratische traditie en zijn hoge graad van verstedelijking een trendsetter is voor de rest van Europa. Zo maakte Nederland in 1994 een einde aan de naoorlogse traditie waarbij de twee grootste volkspartijen - sociaaldemocraten en christendemocraten - samen altijd een absolute meerderheid aan zetels in de Tweede Kamer hadden (in Vlaanderen gebeurde dat in 1991). Dat element van stabiliteit is inmiddels vervangen door toenemende versnippering en volatiliteit. De kiezer is politiek consument op korte termijn geworden.


‘De kans is zeer reëel dat koning Willem-Alexander na 15 maart, al dan niet na een rondje met een informateur, Geert Wilders zal moeten belasten met de regeringsvorming’


 Dat valt ook op in de vele peilingen - waar men voorzichtig mee moet blijven - die in Nederland, anders dan in België, constant sterke schommelingen laten zien, als men met periodes van pakweg zes maanden werkt. De laatste trend, sinds ongeveer november, is onmiskenbaar dat de PVV van Geert Wilders veruit de grootste partij van Nederland zou worden, met 30 tot 35 zetels (op de 150 van de Tweede Kamer), tegenover 25 tot 30 zetels voor de rechts-liberale VVD van Mark Rutte, die sinds 2010 minister-president is. Het christendemocratische CDA en de links-liberale D66 komen op 15 à 18 zetels uit, Groen Links en de populistisch-linkse SP op iets boven de 10 en de PvdA en 50Plus (een seniorenpartij) op ongeveer 10. Daarnaast zouden nog minstens vier partijen de Tweede Kamer halen.

 Er zijn nog twee maanden natuurlijk en zeker in de laatste weken vergroten de schommelingen doorgaans. Maar de kans is zeer reëel dat koning Willem-Alexander na 15 maart, al dan niet na een rondje met een informateur, Geert Wilders zal moeten belasten met de regeringsvorming. Die moet echter naast de VVD waarschijnlijk nog minstens twee partijen vinden om aan een meerderheid te geraken.

 Vraag is of Wilders het in dergelijke omstandigheden zal wagen zijn voorstel tot referendum over een ‘Nexit’ - het verlaten van de EU - op tafel te leggen, en of andere partijen al dan niet bereid zijn het risico te nemen om het om tactische redenen - bij een nederlaag gaat Wilders daar alweer op zijn gezicht - te aanvaarden. Een dergelijk referendum zou in Nederland, gezien de peilingen en vooral de uitslag van het referendum van 2005, minstens evenzeer als in Groot-Brittannië een dubbeltje op zijn kant zijn. Gezien dat risico is Nederland zeker de meest cruciale verkiezing van dit voorjaar.

Le Pen


 Een stuk minder dramatisch daarentegen kondigen de presidentsverkiezingen in Frankrijk zich aan, in twee stemrondes op 23 april en 7 mei. Sinds François Fillon begin december de primaires van rechts won, lijkt iedereen het er over eens dat hij wel wat wind uit de zeilen van het Front National kan halen. Het wordt wachten wat links daar tegenover stelt in zijn primaires eind deze maand.

 De ook in Frankrijk talrijke peilingen laten uitschijnen dat Fillon en Marine Le Pen, de voorzitster van het FN,  ongeveer gelijke percentages zouden halen in de eerste stemronde, tussen 22 en 25 % met iets vaker voorsprong voor Fillon, maar altijd nipt. De derde, maar op afstand, is de 39-jarige Emmanuel Macron, de gewezen minister van Economische Zaken van François Hollande, die met een platform uitpakt dat de oude links-rechtstegenstelling moet overstijgen, en die scores haalt tussen 16 en 22 %. Ver daarachter komen de uiterst-linkse Jean-Luc Melenchon (10 tot 14 %) en huidig eerste minister Manuel Valls (10 tot 13 %).


‘De peilingen laten uitschijnen dat François Fillon en Marine Le Pen ongeveer gelijke percentages zouden halen in de eerste stemronde, tussen 22 en 25 % met iets vaker voorsprong voor Fillon, maar altijd nipt’


 De kans dat Le Pen, die 48 is, de tweede stemronde haalt blijft dus groot. In haar eerste publiek optreden dit jaar kondigde ze aan dat ze de euro wil vervangen door de ECU, het systeem van aparte nationale munten waarvan de koersen binnen een bepaalde bandbreedte op Europees niveau worden gecoördineerd, zoals dat voor 1999 bestond. Ze zou ook binnen zes maand een referendum over het lidmaatschap van de EU houden.

  Alle peilingen geven echter aan dat Le Pen in een tweede stemronde enkel tegen Manuel Valls ongeveer 40 % van de stemmen zou kunnen halen, maar tegenover Fillon of Macron niet boven 35 % zou uitkomen. De schommelingen in de peilingen in Frankrijk zijn stabieler dan die in Nederland, maar daar is het nog ruim drie maand wachten op de eerste uitslagen.

Petry

 
 Duitsland gaat ergens in september naar de stembus voor de vierjaarlijkse Bondsdagverkiezingen. De vorige keer, in 2013, behaalden de christendemocraten van CDU en CSU 41,5 % van de stemmen, een winst van 7,7 % en een ware beloning door de Duitse kiezer van het strakke beleid van Angela Merkel in de Eurocrisis. Volgens de meest recente peilingen zou daar ditmaal ca. 5 % van afgaan, wat Merkels partij wel veruit als grootste zou handhaven.

 De sociaaldemocratische SPD zou op zo’n 21 % terugvallen, een verlies van 4 %. Links en Groen, die nu ook in de Bondsdag zaten, zouden hun score met een percentje verbeteren naar om en bij 10 %. De liberale FDP kan terugkeren, met tegenwoordig 6 % in de peilingen, maar dat is amper 1 % boven de kiesdrempel. Tenslotte is er de ‘populistische’ Alternative für Deutschland van Frauke Petry, die meteen goed zou zijn voor 10 % van de stemmen.


‘Haalt de FDP de kiesdrempel niet, dan vergroot de mogelijkheid op een linkse coalitie in Berlijn van SPD, Groenen en de uiterst-linkse Die Linke, ongetwijfeld onder leiding van de huidige SPD-voorzitter en vice-kanselier Sigmar Gabriël’


 Veel hangt in die constellatie af van de liberalen. Halen zij de kiesdrempel niet, dan vergroot de mogelijkheid op een linkse coalitie van SPD, Groenen en de uiterst-linkse (en met veel voormalige Oostduitse communisten bevolkte) Die Linke, ongetwijfeld onder leiding van de huidige SPD-voorzitter en vice-kanselier Sigmar Gabriël. Halen zij de kiesdrempel wel, dan is een verlenging van de grote coalitie tussen CDU/CDSU en SPD waarschijnlijker. Tenzij men voor de ongewone coalitie van christendemocraten, Groenen en liberalen zou durven opteren.

 Anders gezegd: in Duitsland is de kans op een doorbraak naar de macht vanwege de populisten, met hun anti-Europese stellingen, nog kleiner dan in Frankrijk. Angela Merkel maakt grote kans bondskanselier te blijven, tenzij er een linkse coalitie komt. Zij wist haar kandidatuur voor het kanselierschap al in november aan de CDU op te dringen, waarmee daar elke potentiële dissidentie meteen gefnuikt werd. Maar als zij op verkiezingsavond, na de droomuitslag van 2013, 5 % of meer verlies moet incasseren, zullen de messen spoedig opnieuw geslepen worden, zeker door het toenemend aantal ongeduldigen intern die vinden dat het voor Merkel na twaalf jaar aan de top welletjes mag zijn.

Over en out?


  De rode draad in al deze verkiezingsprognoses is dat in vier van de zes oorspronkelijke lidstaten van de Europese Unie de populistische beweging, die tegen de Unie gekant is, inmiddels tussen 20 % (Duitsland) en 30 % (Italië, Frankrijk) van de kiezers kan mobiliseren. In twee van die vier lidstaten is er bovendien een reële kans dat ze de grootste partij wordt en zo een referendum over de euro of de EU op de agenda kan zetten. 

 Voor dat laatste zijn wel nog een reeks voorwaarden te voldoen, en daarna moeten de referenda ook effectief op een afwijzing van de EU uitdraaien. De kans dat die twee lidstaten ook effectief de euro of unie op de schop doen, is dus waarschijnlijk kleiner dan 10 %. Maar ze bestaat dus, sinds kort, in tegenstelling tot amper een jaar geleden. En mochten twee referenda in twee stichtende lidstaten plaatsvinden en negatief uitdraaien, dan is het haast zeker over en out voor de Unie.


‘Als de verkiezingsuitslagen tot 2019 blijven wat ze vandaag zijn, komt er ook in het Europees Parlement in 2019 een einde aan de veertig jaar oude meerderheid en het dito verstandshuwelijk van de rooms-rode volkspartijen’


 Laatste bemerking: de beweging naar versnippering, weg van de rooms-rode stabiliteit van grote volkspartijen, zet zich twintig jaar na de Lage Landen in heel West-Europa door. Als straks in maart of zo de Europese Raad de opvolging van Donald Tusk moet bespreken, zal Angela Merkel zo al heel weinig collega’s van de Europese Volkspartij ontmoeten, de partij die door Wilfried Martens werd grootgemaakt en al twintig jaar de grootste is in het Europees Parlement: Mariano Rajoy van Spanje, Viktor Orban van Hongarije en nog twee of drie uit de kleinere landen.

 Het doet er aan herinneren dat Merkels macht en de stabiliteit van de instellingen in de Europese Unie - vooral dan de Europese Commissie - gebaseerd zijn op het verstandshuwelijk tussen de twee traditionele volkspartijen van de tweede helft van de twintigste eeuw, de christendemocraten en de sociaaldemocraten. Sinds de eerste rechtstreekse verkiezingen van 1979 hadden beide fracties samen altijd een ruime absolute meerderheid in het parlement.

 Ze vonden elkaar altijd in het onderling verdelen van de voornaamste functies, ook al waren er soms - en de laatste tijd steeds vaker - inhoudelijke tegenstellingen. Dat systeem schijnt nu al af te breken in de aanloop naar een voor het eerst echt betwiste verkiezing van een nieuwe voorzitter van het Europees Parlement volgende dinsdag. En als de verkiezingsuitslagen tot 2019 blijven wat ze vandaag zijn, komt er ook in het Europees Parlement in 2019 een einde aan de veertig jaar oude meerderheid en het dito verstandshuwelijk van de rooms-rode volkspartijen.